Loon voor overuren
De informatie in dit artikel is mogelijk verouderd.
Wie doorgroeit naar een leidinggevende functie, wordt doorgaans niet langer betaald voor overuren. Maar wat indien je een ronkende titel krijgt, maar in werkelijkheid geen leiding geeft?
De vraag werd onlangs voorgelegd aan het Arbeidshof van Brussel.
Een verkoopster was bevorderd tot adjunct-winkelmanager. Toen zij haar ontslag kreeg, vroeg ze betaald te worden voor de overuren die ze had gewerkt. De directie zei dat ze daar geen recht op had, omdat zij een leidinggevende positie had. De vrouw liet zich niet doen en stapte naar de rechtbank.
De rechters gaven de vrouw gelijk: zij had recht op overloon voor overuren. De reden was dat haar functietitel van adjunct-shopmanager in de praktijk weinig of niets voorstelde.
Het was niet zo dat zij “werkelijk gezag” uitoefende, of de verantwoordelijkheid droeg voor een belangrijke onderafdeling van de onderneming. Uit de taken die de vrouw toegewezen kreeg, bleek al evenmin dat zij als de filiaalhoudster kon worden beschouwd. Dat zijn criteria die voorkomen in het koninklijk besluit van 10 februari 1965.
Bovendien werd de “adjunct-manager” betaald volgens categorie 2bis. Volgens de functieclassificatie van de in haar bedrijf geldende cao, was dit het loon voor ondergeschikten die eenvoudige uitvoerende taken verrichten, onder rechtstreekse controle van een meerdere, en waarvoor geen hoger diploma vereist is dan de middelbare school.
Weinig uitzonderingen
De rechters bevestigden dus dat de wet niet veel afwijkingen toelaat van de verplichting loon te betalen voor meerprestaties. In principe heeft een werknemer recht op 150 procent van zijn uurloon voor de overuren die hij presteert op werkdagen, en op 200 procent van zijn loon voor prestaties op zon- en feestdagen.
Personeel met een leidinggevende of vertrouwensfunctie hoeft de werkgever niet te belonen voor overuren. Maar de wetgever dacht daarbij duidelijk aan directeurs en kaderleden.
Hendrik Mertens
