De mening van Martin: alles komt terug
De informatie in dit artikel is mogelijk verouderd.
Martin Overheul (52) is recruitment coördinator bij een studie- en adviesbureau. Hij deelt elke maand z'n kijk op de arbeidsmarkt. "Bij sollicitanten let ik op authenticiteit en eerlijkheid, net als bij muziek."
Mijn ouders zijn geen van beide lang naar school gegaan. Daar heeft de Tweede Wereldoorlog een forse stok voor gestoken.
Doordat mijn grootvader langs moederskant in die onzalige jaren was opgevorderd door de bezetter, leunde zijn achtergebleven gezin met het volle gewicht op de frêle schouders van mijn grootmoeder. Maar grootmoeder was wat ziekelijk, dus moest het gehavende gezin verzorgd worden door de oudste dochter, mijn moeder. En dan blijft er weinig tijd over voor school.
Langs de kant van mijn vader was het al niet beter. Op een kwade oorlogsdag passeerde het noodlot toen mijn vaders broer lelijk ten val kwam en aan de gevolgen van die val overleed. Opa en oma stortten volledig in en de overgebleven zoon, mijn vader, werd verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken in het huishouden. Over school werd nooit meer gesproken.
Na de oorlog was het vanzelfsprekend dat noch m'n vader, noch m'n moeder zou terugkeren naar het klaslokaal. Er was immers zo veel gebeurd in hun jonge levens. En wat de voorbije vijf jaar was verwoest, moest opnieuw worden opgebouwd. Ook in mijn geboortestad Schiedam, die letterlijk en figuurlijk onder de rook van Rotterdam ligt. Mijn ouders vonden dat zij hun bijdrage moesten leveren aan de heropbouw van hun vaderland. Je handen uit de mouwen steken, noemden ze dat. Werken aan de toekomst! Daar kon geen les aardrijkskunde tegenop.
Schiedam floreerde in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw dankzij de scheepsbouw. In die tijd trok de stad, die aan het eind van de achttiende eeuw nog een grauw en ongezond ‘nest’ was, tal van notabelen en ingenieurs aan. Voor die laatste groep nieuwkomers was er volop werk op de scheepswerf van Wilton-Fijenoord. Dat bedrijf was wereldvermaard door z'n specifieke kennis van de scheepbouw. In z'n glorieperiode werkten er bijna 7000 mensen. Maar ook in de achterliggende haven van Rotterdam zat men toen zelden langer dan een uur zonder werk.
Totdat in de jaren tachtig de eerste zware naoorlogse crisis toesloeg en de scheepsbouw in nauwe schoentjes geraakte. De opdrachten bleven uit, de internationale concurrentie nam toe en betalingen kwamen te laat -of zelfs helemaal niet- binnen. Mijn grootvader en een van mijn ooms stonden van het ene moment op het andere op straat, samen met honderden anderen.
We waren woedend. Samen met m'n familie liep ik mee in een protestmars tegen gedwongen ontslagen. Het harde werk van de arbeiders had ervoor gezorgd dat de scheepsindustrie jarenlang enorme winsten had gegenereerd. En die industrie zou nu verdwijnen? Niks van! Dat dacht ik tegen beter weten in, want ook toen was het duidelijk dat de grote West-Europese productiebedrijven hun focus zouden verleggen naar lagelonenlanden. Maar ik hoopte met hart en ziel dat mijn grootvader die paar jaar tot zijn pensionering zou kunnen volmaken op zijn geliefde scheepswerf.
Het heeft niet zo mogen zijn. Ook toen werd er gegrepen naar de oplossingen die werkgevers nu hanteren. Alleen noemde geen mens dat reorganisatie, sanering of banen schrappen, maar massaontslag. Zowel ingenieurs als laaggeschoolden werden in groten getale afgedankt.
De scheepsindustrie in Schiedam ligt intussen al lang op apegapen. Onlangs vroeg mijn moeder me of er sindsdien op dat vlak eigenlijk wel iets veranderd is. Ik ben nog steeds aan het nadenken over een goed antwoord, maar elke dag ben ik meer geneigd om ‘nee’ te zeggen.
Martin Overheul
Geef je mening over dit artikel
Martin blogde ook een maand voor VDAB. Lees zijn joblog.
